Vijftig jaar vernieuwd Pauselijk Huis

28 maart 2018

Precies vijftig jaar geleden besloot Paulus VI tot een drastische hervorming van de pauselijke hofhouding. Dat deed hij met zijn apostolische brief ‘motu proprio’ Pontificalis domus van 28 maart 1968. Daarmee ontdeed de toenmalige bisschop van Rome het Vaticaan van alles wat “slechts titel, uiterlijke opsmuk en pracht” was. Erfelijke titels verbonden met de opperpontifex zouden voorgoed tot het verleden behoren.

Sinds de paus in 1870 zijn wereldlijke macht had verloren, werd er nog bijna een eeuw lang gedaan alsof de bisschop van Rome een supermonarch was. Paus Paulus VI maakte daar dus korte metten mee en zijn opvolger Johannes Paulus I schafte in de geest van het Tweede Vaticaans Concilie het pauselijke kroningsritueel af. Niettemin bleef de pauselijke tiara oftwel driekroon het officiële symbool van de Summus Pontifex. 

Historische ambten met de daarbij behorende titels en uniformen werden door het motu-proprio afgeschaft. De meeste hofambten, vaak bekleed door Romeinse edellieden, representeerden geen reële functie meer en konden dus gerust verdwijnen zonder dat het pauselijke apparaat in elkaar zou storten. Dat neemt niet weg dat conservatieve facties de moderniserende maatregel beschouwden als een verdere ontmanteling van het pausendom als een souvereine macht.

‘Zwarte Aristocratie’ (Italiaans: Aristocrazia nera) was de bijnaam die de Romeinen gaven aan de adellijke families die verbonden waren gebleven met de Apostolische Stoel. Nadat Victor Emmanuel II van het Huis Savoye in 1871 als eerste koning van Italië van het pauselijk Quirinaalpaleis zijn residentie had gemaakt, was de Romeinse adel verdeeld geraakt tussen koningsgetrouwen en pausgetrouwen. Paus Pius IX, die door het nieuwe regiem als vorst van de Kerkelijke Staat was afgezet, werd vanaf de verovering van Rome de ‘gevangene van het Vaticaan’. De families die trouw bleven aan de paus als vorst van Rome, sloten uit protest en treurnis over deze ‘gevangenschap’ hun paleizen in de Eeuwige Stad, wat ze de bijnaam ‘Zwarte Adel’ opleverde. 

Vanaf 1968 kon de Zwarte Adel dus geen leden meer voor bijvoorbeeld de Pauselijke Nobelgarde leveren. Bovendien kwam er een einde aan het gebruik dat de paus leken in de adelstand verhief waardoor zij ‘Markies met de Baldakijn’ werden. Ook kwamen de hoftitels van ‘Kardinaal-Paladijn’ en ‘Bisschop-Troonassistent’ te vervallen. Merkwaardigerwijs bleef het honorair ambt van Prins-Troonassistent bestaan. De laatste Romeinse edellieden die dit ambt bekleedden waren Don Aspreno Colonna (1916-1987) en Don Alessandro Torlonia (1925-2017). Paus Franciscus heeft nog geen nieuwe prins tot troonassistent benoemd; er wordt gefluisterd dat Don Prospero Colonna (1937) de gelukkige wordt.

Paulus VI hief met Pontificalis Domus ambten op met namen als ‘Hofmeester van Zijne Heiligheid’, ‘Maarschalk van de Heilige Roomse Kerk’, ‘Opperstalmeester van Zijne Heiligheid’, ‘Opperhofmeester van de Heilige Apostolische Paleizen’, ‘Vlagdrager van de Heilige Roomse Kerk’, ‘Garderobemeester’ en ‘Geheime Voorproever’. Sommige functies bleven intact, maar kregen wel een modernere naam. Zo werd de Magister van het Apostolisch Paleis voortaan ‘Theoloog van het Pauselijk Huis’ genoemd.

Het Pauselijk (eigenlijk: Pontificaal) Huis zou voortaan bestaan uit twee onderdelen: de Pauselijke Kapel (Italiaans: La Cappella Pontificia) en de Pauselijke Familie (La Famiglia Pontificia). De leden daarvan zouden ook een echte functie moeten hebben en een reële dienst moeten leveren, zo bepaalde Paulus VI.

De Pauselijke Kapel wordt gevormd onder anderen door de leden van het Kardinalencollege; de patriarchen, de aartsbisschoppen, de bisschoppen, de abten-generaal, de religieuze generaal-oversten en de troonassistenten; de hogere prelaten van de dicasteries van de Romeinse Curie; de hoogste kerkrechters; de kanunniken van de grootbasilieken, de pastoors van het bisdom Rome en de clerici van de Pauselijke Kapel.

De Pauselijke Familie bestaat uit een clericale en een laïcale afdeling. Van de eerste zijn lid: alle geestelijken (bisschoppen, priesters en diakens) die nauw verbonden zijn met het pausambt, zoals de vicestaatssecretaris, de hoofdaalmoezenier van de pauselijke liefdewerken, de president van de diplomatenschool van de Heilige Stoel, de theoloog van het Pauselijk Huis, de prediker van het Pauselijke Huis, de Ereprelaten van Zijne Heiligheid, de Kapelaans van Zijne Heiligheid en de Meester van het Pauselijk Ceremonieel. Van de lekenafdeling van de Pauselijke Familie zijn onder anderen lid de prins-troonassistenten, de commandant van de Zwitserse Garde, de commandant van de Vaticaanse Gendarmerie en de Gentiluomini di Sua Santità (hoogwaardigheidsbekleders die onder meer worden ingezet bij de protocollaire ontvangst van staatshoofden).