Griezelig

7 juli 2017

Het hoogtepunt van een tour door de Vaticaanse Musea is wat mij betreft de Sixtijnse Kapel. De fresco’s van Michelangelo zijn van een spectaculaire schoonheid. Ondanks de grote hoeveelheid toeristen die er dagelijks samendrommen kun je behoorlijk geïnspireerd raken door de aanblik van deze wonderschone schilderingen. Maar zoals alle mooie plekken op deze aardkloot is ook deze ruimte niet echt paradijselijk. Bepaalde elementen kunnen je esthetisch genot behoorlijk verpesten. En dan heb ik het niet over dat griezelige tafereel van het Laatste Oordeel vlak boven het altaar, waar we de duivel de zondaars naar de hel zien drijven. Nee, de smet waar ik op doel is niet van artistieke aard. Ze is ook niet te zien, maar alleen te horen. En dan heb ik het ook niet over het rumoer van de toeristen, maar juist over de oproep om dat rumoer te bedwingen. Uit speakers galmt om de zoveel minuten een stem, die de bezoekers maant stilte te betrachten. Voortdurend worden we eraan herinnerd dat de Sixtijnse Kapel ‘een heilige plaats’ is en dat er daarom stilte moet heersen. Heel even dalen dan de decibels om een tiental seconden later weer aan te zwellen tot lawaai.

Kun je werkelijk van betalende toeristen verlangen dat ze in stilte de wonderwerken van Michelangelo bewonderen? Voor de meesten is de Sixtijnse Kapel slechts een museumzaal. Hoezo heilig? Ik neem aan dat het Vaticaan deze ruimte geen heiligheid toeschrijft omdat ze is verfraaid door een genie. Als je het in deze kapel, waar kardinalen een nieuwe paus kiezen, echt stil wil hebben, kalk dan de wanden en het plafond wit. Of zorg ervoor dat ze ophoudt een museale attractie te zijn. Dat gaat natuurlijk nooit gebeuren, want Michelangelo’s fresco’s leveren geld op dat het Vaticaan veel te hard nodig heeft.

Gewijde plekken zijn verfraaid juist omdat ze een gewijde status hadden. Ook toen het toerisme nog niet bestond, vergaapten mensen zich in kerken aan de pracht en praal. En het was ook de bedoeling dat zij zich vergaapten. Want kunstenaars hadden van pausen, vorsten, bisschoppen en andere heersers de opdracht gekregen om de majesteit van God zichtbaar te maken. In de middeleeuwen hadden zij niet kunnen bevroeden dat deze vensters op het goddelijke ooit nog eens als op zichzelf staande objecten zouden worden bewonderd. Natuurlijk hadden die opdrachtgevers niet louter vrome intenties. Kunst stond ook in dienst van hun eigen majesteit. De renaissancepausen lieten de Romeinse kerken door de beste kunstenaars verfraaien ook om daarmee zichzelf op te hemelen.

In de renaissance ontstond het fenomeen museum. De machthebbers legden collecties van antieke kunstwerken aan om daarmee blijk te geven van hun waardering voor de oude beschavingen. Bovendien wedijverden vorsten en prinsen er met elkaar om wie het meest artistieke talent om zich heen kon vergaren. Dankzij deze heersers konden genieën als Michelangelo en Leonardo da Vinci de wereld tonen wat ze in huis hadden.

Wat wij nu onder een museum verstaan dateert echter pas van na de renaissance, toen het ik als denkend ding werd geboren. Die geboorte spleet de werkelijkheid in tweeën. Voortaan was er een subjectieve en een objectieve werkelijkheid. De mens onttrok zich aan de chaos door als waarnemend subject de wereld te reduceren tot een meetbare kosmos. Kunstwerken werden daardoor objecten, waargenomen door kritische geesten. Deze objecten kregen hun plek in gebouwen, die zo waren ontworpen dat de bezoekers de verzamelde kostbaarheden zo goed mogelijk konden waarnemen. Kunst werd op deze wijze ontwijd, dat wil zeggen: onttrokken aan de sacrale wereld waartoe zij behoorde. En het ironische is dat deze instellingen de naam kregen van een tempel die gewijd was aan de Muzen, de negen dochters van Zeus.

In ons onttoverde Nederland lopen de Christustempels niet alleen leeg, maar stromen ze ook vol met mensen die er andere dingen doen dan aanbidding. Wonen bijvoorbeeld, of fitnessen of boeken kopen. Schitterende kerkgebouwen waar niemand meer komt om Christus te aanbidden, kunnen nog wel dienst doen als bibliotheek, fitnessruimte, muziekzaal, supermarkt of columbarium. Ze worden dan door de kerkelijke autoriteiten officieel aan de eredienst onttrokken, waardoor ze hun gewijde status verliezen. Nieuwe eigenaren van deze voormalige godshuizen vinden het wel leuk om het godsdienstige meubilair te behouden en in een andere context te plaatsen. Je kunt bijvoorbeeld een horecafeest houden in een ruimte vol heiligenbeelden. Zoals in rijksmonument en evenementenlocatie De Havenkerk in Schiedam. In deze voormalige rooms-katholieke kerk, gewijd aan Sint-Jan de Doper, vindt eens per jaar een jeneverfestival plaats. Alles staat er nog: het hoogaltaar, de zijaltaren, de kansel, de biechtstoel. Nationale en internationale distillateurs laten er hun specialiteiten proeven. En dat doen ze in een prachtig door glas-in-loodramen gefilterd daglicht. Gezellig, toch?

De meeste Nederlanders hebben geen moeite met dit soort herbestemmingen. Ze vinden het een goede zaak dat dit erfgoed blijft bestaan en tegelijkertijd ruimte kan bieden aan culturele en andere evenementen. Maar voor katholieken die hunkeren naar het sacrale is het gebruik van katholieke symbolen een pijnlijke aangelegenheid. Zij kunnen bijna niet anders dan deze pijn wegslikken, want hun omgeving ridiculiseert hun verlangen naar het numineuze en verwerpt het als aanstellerige nostalgie.

Vandaag start een nieuw project van Museum Catharijneconvent in Utrecht. Dit museum heeft dertien kerken en synagogen bereid gevonden om zichzelf gezamenlijk te presenteren als het ‘Grootste Museum van Nederland’. In een promotietekst van dit project staat: “In het buitenland is het heel normaal om die indrukwekkende kathedraal te bezoeken. Toch lopen veel mensen er in Nederland ongemerkt aan voorbij. En dat terwijl Nederlandse kerken de prachtigste kunstvoorwerpen herbergen, gemaakt door de beste kunstenaars en opgenomen in magistrale decors. Met elkaar vormen ze het grootste museum van Nederland. Museum Catharijneconvent, elf kerken en twee synagogen staan aan de basis van dit bijzondere project. De verborgen topkunst van Nederland wordt zo toegankelijk gemaakt voor iedereen.”

Vier van deze gebouwen zijn rooms-katholieke kerken, geconsacreerd omwille van de eredienst: de Basiliek van de Heilige Nicolaas in Amsterdam, de Cenakelkerk in Heilig Landstichting, de Basiliek van de Heiligen Agatha en Barbara in Oudenbosch en de Basiliek van Onze Lieve Vrouw Sterre der Zee in Maastricht.

In het katholieke geloof is een gewijde kerk een heilige plaats. Daar gelden zekere mores. Als er bepaalde activiteiten plaatsvinden dan kan zo’n kerk haar heiligheid verliezen. Dat gebeurde nog niet zo lang geleden in de Sint-Jozefkerk van Tilburg. Vanwege de stiekeme opnames voor een pornoproductie in de biechtstoel moest de kerk ritueel worden gezuiverd door middel van een boeteceremonie.

Een Nederlandse bisschop die onlangs nog wees op de heiligheid van het kerkgebouw, is monseigneur Gerard de Korte. Hij deed dat in zijn brief die hij tot zijn verdriet had moeten schrijven nadat hij tot de conclusie was gekomen dat een oecumenische gebedsdienst bij gelegenheid van Roze Zaterdag in de Sint-Janskathedraal het religieuze gevoel van een aantal gelovigen in zijn bisdom zou kwetsen. In zijn commentaar op zijn eigen brief zei hij in het EO-radioprogramma Dit is de Dag: “U weet dat katholieken een andere opvatting van het kerkgebouw hebben dan protestanten. (…) Dat is een sacrale ruimte. Een aantal gelovigen kan dat moeilijk combineren met een gebedsviering gekoppeld aan Roze Zaterdag, waar allerlei dingen gebeuren waar vanuit katholiek denken vragen bij te stellen zijn.”

Een kathedraal is het belangrijkste kerkgebouw van een bisdom. Het gewijde karakter van een godshuis geldt dus bij uitstek voor een kerk waar de cathedra (de bisschopszetel) staat. Het is daarom enigszins vreemd dat de kathedraal van het aartsbisdom Utrecht steeds vaker wordt gebruikt als een soort aula van het Museum Catharijneconvent, dat overigens geen kerkelijk museum is maar een rijksmuseum voor religieuze kunst. Tijdens grote presentaties of bijeenkomsten in het kader van openingen van exposities is maar weinig te merken van de sacraliteit van de Sint-Catharinakathedraal.

Zoals gezegd zijn er vier rooms-katholieke kerken ‘uitverkoren’ om het Grootste Museum van Nederland te vormen. Een daarvan is de Onze-Lieve-Vrouw van Maastricht. Op 4 juli werd in deze basiliek een bijeenkomst gehouden bij gelegenheid van deze uitverkiezing. Aanwezig daarbij was uiteraard de bisschop van Roermond, monseigneur Frans Wiertz. In zijn toespraak wees hij op de gevaren van de musealisering van de kerk.

Dit is wat bisschop Wiertz zei: “Hoewel ik zeer erkentelijk ben voor de inspanningen om het kerkelijk erfgoed te promoten, vind ik het heel griezelig om een kerk een museum te noemen. Bij de Russische Revolutie werden honderd jaar geleden kerken ook tot musea gereduceerd. Maar dat zijn ze niet. De kerk is de plaats waar God woont. In elke kerk brandt een godslamp als teken dat God in het tabernakel aanwezig is, dat maakt van een kerk een sacraal gebouw en geen museum.” Volgens de Limburgse kerkleider is er niets tegen als mensen van religieuze kunst genieten. “Kerkelijke kunst heeft door de eeuwen heen altijd geholpen om het geloof over te brengen. Sommige mystieke verhalen kun je zelfs beter in beelden uitleggen dan in woorden. Maar er moet wel sprake zijn van communicatie, niet van eenzijdige interpretatie door de kunstenaar.”

Eind dit jaar hoopt bisschop Wiertz van paus Franciscus verlof te krijgen om met emeritaat te gaan. Het besturen van het bisdom wordt voor hem steeds moeilijker, omdat hij bijna blind is. Maar, zo lijkt het, hoe slechter zijn fysieke visus, hoe intenser zijn profetische visie.

Deze visie wijst op een seculiere manifestatie van iconoclasme. Iconoclasme is de radicale beweging die alle religieuze afbeeldingen wil vernietigen. Iconoclasten beschouwen het godsdienstige gebruik van iconen, beelden en schilderingen als godslastering en idolatrie. Wat er nu gebeurt is dat religieuze afbeeldingen niet worden vernietigd maar juist worden gekoesterd, niet als vensters op het hemelse maar als museale objecten. Deze musealisering betekent dat deze kunstwerken niet meer worden gebruikt als verwijzers naar een goddelijke werkelijkheid maar worden gepresenteerd als objecten van esthetisch genot. Het werk blijft bestaan maar de eigenlijke betekenis ervan wordt kapotgeslagen. Als dat gebeurt in een kerk die officieel nog steeds fungeert als aanbiddingsruimte, lopen gelovigen die in deze kerk godsdienst aan het bedrijven zijn het gevaar dat zij door mensen die het gebouw als museum bezoeken eveneens als museale objecten worden beschouwd. En dat is inderdaad griezelig.

tekst: Christian van der Heijden