'Leven alsof God bestaat'

9 december 2017

Antoine Bodar gaf op vrijdag 8 december in Leiden de 46ste Huizingalezing, getiteld ‘Leven alsof God bestaat’. 

In spel ontstaat cultus en uit cultus komt cultuur voort. Dat leert Johan Huizinga in zijn beroemde boek Homo ludens (1938). Cultuur moet aan drie voorwaarden voldoen en “metafysisch gericht zijn of zij zal niet zijn”, zo eist hij in het boek In de schaduwen van morgen (1935). Maar wat gebeurt er als een cultuur, een maatschappij dus, helemaal is los geraakt van de cultus?  Op die vraag gaf Antoine Bodar antwoord.

Hieronder de volledige, onbewerkte tekst van de lezing zoals die door Bodar werd uitgesproken. Bij Elsevier verschijnt in boekvorm een uitgebreidere versie met voetnoten. 

Dr. Antoine Bodar pr. (foto: KRO/Werry Crone)

LEVEN ALSOF GOD BESTAAT

I

Hoe het leven te genieten?

In Herfsttij der Middeleeuwen meent Huizinga dat daarin geen verschil is tussen de tijd van toen en 1919, het verschijningsjaar van zijn meest klassieke boek. Hij noemt lectuur, muziek, beeldende kunst, reizen, natuurgenot en maatschappelijke ijdelheid zoals vergaderen, mode en sport.

De middeleeuwse sport is zijns inziens 'dramatisch en tegelijk van een sterk erotisch gehalte', maar dat geldt eigenlijke voor elke periode.

'De sport heeft als gemeenschapsfunctie haar betekenis in de samenleving steeds meer uitgebreid', constateert Huizinga in Homo ludens, het boek over de spelende mens van 1938, maar iets van het zuivere spelgehalte is verloren. Het verband met de cultus is in de moderne sport teloor gegaan. 'Zij is volstrekt ongewijd geworden [...]'.

In Mijn weg tot de historie van 1943 herinnert hij zich van zijn leerlingen aan de H.B.S. in Haarlem hoe het bovenal voetbal was wat omging in de hoofden van de jongens.

Maar dat waren dan ook jongens -- pueri.

In het boek  In de schaduwen van morgen van 1935 schrijft Huizinga: 'De nieuwe cultus van lichaamskracht, behendigheid en moed, voor vrouwen en voor mannen, is op zichzelf beschouwd ongetwijfeld een positieve cultuurfactor van de hoogste waarde [....] Dit neemt niet weg, dat toch ook in het sportleven het hedendaagsche puerilisme op menige wijze binnendringt. [...] Het dreigt binnen te sluipen met de overmatige organisatie van het sportleven zelf, en met de overmatige beteekenis, die het sportnieuws in de dagbladen en sportbladen voor velen als geestelijk voedsel gaat innemen.'

Zou het door Huizinga toen vastgestelde puerilisme niet nu infantilisme zijn geworden, gezien de vraaggesprekken en debatten in voor- en nabeschouwingen van vooral voetbal op radio en televisie? Infantilisme van dit soort als geestelijk voedsel voor de gehele samenleving? Een cultus die de cultuur in hoogste zin verbindt -- een religie. Ik bedoel vooral het niet aflatende gewauwel over de sport als nagenoeg enig toegeworpen voedsel.

Is sport niet veeleer kwestie van doen dan van praten?

Voetbal is religie geworden. Maar welke religie? Welke pseudo-religie? De godsdienst jegens de mens, de held, de ster -- de aanbidding van de mens die het voorbeeld van bekendheid en beroemdheid is, handtekeningen uitdelend en selfies bevorderend en te gepaster tijd als dure slaaf in de aanbieding, product van speculatie, onderhandeling en beklonken koop in internationale slavernij.

De mens als maat van alles, de mens als enig ik, in aanbidding voor het eigen enige ik, de hoogste bevrediging, de hoogste levensvervulling -- de mens zichzelf genoeg.

Vormen van deze dienst aan de zo genoemde goden-zonen in hun sport zouden overeenkomen met katholieke riten, althans volgens sommige  theologen.

Het zijn dan vergelijkingen naar de vorm en in de vorm aansluitend bij Huizinga's bepaling van het spel.

Spel is een vorm met zin, het heeft een sociale functie. Het is een vrije handeling die -- eenmaal aangegaan -- aan regels is gebonden. Het staat buiten het gewone leven en is naar de tijd begrensd. Het geeft zowel spanning als ontspanning, het leent zich voor herhaling, het schept rythme en harmonie. Het heeft -- in het voor Huizinga karakteristieke taalgebruik -- 'in al zijn hoogere gedaanten, waar het iets beteekent en viert, zijn plaats in de sfeer van feest en cultus, de heilige sfeer'.

Als student geschiedenis aan de destijds diep rood gelovige Universiteit van Amsterdam studeerde ik af op Huizinga's cultuurkritiek die op weinig instemming heeft mogen rekenen. Pas jaren later heb ik die gepubliceerd. Neen, dan Ter Braak en Du Perron, Jacques de Kadt, Pieter Geyl en vooral Jan Romijn -- de vereerde marxistische geleerde van die periode  aan de steeds weer uit protest bezette universiteit van de hoofdstad. Destijds gold Huizinga daar als burgerman, wiens belang voorbij heette.

Tot de dag van vandaag beschouw ik Huizinga als één van mijn leermeesters en nu wend ik hem aan -- ik 'instrumenteer' hem om mij eens eigentijds uit te drukken -- voor eigen betoog. In hoeverre is zijn cultuurkritiek van destijds ter overweging zinvol voor de tijd van nu?

 Waarom zo'n boutade over sport, met name over voetbal? Omdat de aandacht daarvoor mijns inziens geen maat houdt en in wanverhouding staat tot de rest van de maatschappij. Zulks verheelt niet dat sport, zoals elke gewoonte, zoals elke rite, steun is in de ordening van het leven

en verbroedering, gemeenschapszin,  onderlinge verbinding en onderlinge verantwoordelijkheid kan bevorderen. In elke rite, in elk met elkaar delend gebruik, verkleint zich een persoon om de gezamenlijkheid groter te doen worden. Daarin zijn al dergelijke gebruiken  vergelijkbaar, voortgekomen als zij zijn uit regels van spel. De aan regels gebonden gewoonten -- in stadion, parlement, rechtszaal en Kerk, bij de zo genaamde overgangsriten van geboorte en dood, huwelijk en jubileum.  En ik wil niet onderschatten de vaderlandse gebruiken bij moord of aanslag of ongeval, bij de dood van een prins (Claus) of een prinses (Diana) of een volkszanger (André Hazes) als gemeenschapstimulerend en ook als zondanig verdiepend.

De mens is ritualist nog voor hij spreken kan -- naar een woord van Chesterton.

'Cultuur begint niet als spel en niet uit spel maar in spel', benadrukt Huizinga.

Cultus ent zich op spel. En in cultus -- verering van een godheid of goden en als gevolg daarvan het geheel van riten -- vangt cultuur aan.

II

Huizinga acht drie voorwaarden voor een cultuur, dat wil zeggen voor een samenleving, voor een maatschappij, noodzakelijk die ook heden gedrieën geenszins zonder nut en zonder zin zijn: Cultuur betekent beheersing van natuur. Cultuur vereist evenwicht  van geestelijke en stoffelijke waarden. Cultuur is streven.

Cultuur als beheersing van natuur is heden meer dan eens van ogenblikkelijk belang, gezien klimaatverandering, bekommering om het milieu en het landschap, de groeiende eerbied voor dieren. Beheersing bant elke uitbuiting uit en paart zich aan zelfbeheersing en dienstbaarheid.

Bestaat heden evenwicht tussen stoffelijke, dus materiële waarden en geestelijke waarden? Daarvan -- van die geestelijke waarden -- zijn morele en spirituele volgens Huizinga meer bepalend dan intellectuele en esthetische.

 Is cultuur nog streven en indien zo, waarheen dan wel? Kleeft niet aan het huidige materialisme, hedonisme en egocentrisme respectievelijk selfy-isme te zeer stilstand en zucht naar gemak en behoud om nog van werkelijk streven te kunnen spreken -- streven naar een verder doel dan het hier en het nu in weerwil van de gunstig veranderende houding jegens de natuur?

Hoe velen zijn niettemin op zoek naar zin, nu het inzicht in breder kring ontwaakt dat de maakbaarheid van het leven begrensd is.

'Cultuur moet metaphysisch gericht zijn, of zij zal niet zijn', verwoordt Huizinga in 1935.

'Van ongeveer 1900 af is mij steeds stelliger buiten elke confessioneele aanvaarding om als opperste richtsnoer van alle menschelijk leven de christelijke zedewet bewust geworden', schrijft hij aan zijn neef Menno ter Braak op 29 december 1938. 'Aan een stabiele, zoo ook voor den mensch onbereikbare waarheid heeft nooit eenig relativeerend of ander geschrift mij kunnen doen twijfelen.' En een maand later: 'Ja, ik sta zeer beslist op het metaphysische standpunt, en deed dat al, lang voor die wending naar de christelijke, ethische en dogmatische begrippen, waarover ik je schreef, eigenlijk zoo lang als ik mij herinneren kan. [...]

Een sterk metaphysisch instinct, dat is het; een besef, dat het met deze wereld niet bekeken is [...] en dat de zin der dingen is.'

Metafysica gaat voorbij aan de waarneembare werkelijkheid en blijft op zoek naar het wezen van de werkelijkheid en zo naar de waarheid. Waarom zo veel scepsis daaromtrent? Waarom tegenwoordig te leven alsof God niet bestaat? Is het niet eenvoudiger te leven alsof God wel bestaat?

Is de Godsvraag niet eigen en tevens voorbehouden aan de menselijke soort? Leven en dood in betrokkenheid op God blijft altijd voorwerp van menselijk denken. Is de dood het definitieve einde voor de mens? Bestaat God wel of bestaat Hij niet? Volgens George Steiner zijn we met die vraag niets verder gekomen dan Parmenides of Plato. Of misschien zijn we  verder van dat raadsel verwijderd dan zij. Zouden we de vragen over bestaan, sterfelijkheid en het goddelijke voortaan achterwege laten, we zouden de kern en de dignitas (waardigheid) van ons mens-zijn uitdoven. Aldus Steiner.

III

In de handeling , in het drama ligt volgens Huizinga meer dan elders de verbinding tussen spel en cultus. 'Die handeling is eigenlijk altijd in zekeren zin heilige handeling.' Want spel is niet alleen wedijver om iets maar ook voorstelling van iets. 'De heilige vertooning' is zijns inziens niet een schijnbare noch een symbolische maar 'een mystische verwezenlijking', waarin de deelnemers aan de cultus  overtuigd zijn van verwerkelijking van heil in de verrichte handeling. En na afloop daarvan is de werking niet voorbij maar zij blijft en is van andere, van hogere orde. De cultus stelt immers een kosmisch gebeuren voor, waarmee de deelhebbers, de gelovigen zich vereenzelvigen. De heilige handeling wordt gevierd in onderbreking van het gewone leven en speelt zich af als feest.

De filosoof Josef Pieper verbindt cultus niet met spel maar met rust. De cultuur leeft uit de cultus, zoals uit de cultus de rust ontspringt. Volgens hem ligt de kern van de rust in het vieren, niet het vieren van de mens zelf maar het vieren van God in de eredienst. Geen meer intensieve instemming met de wereld dan de lofprijzing van God als de Schepper van het heelal. Daarom geen feestelijker feest dan het cultische feest. De cultische viering is voorwaarde voor volledige rust. Zo is ook de zin van de arbeidsrust cultisch verankerd. De huidige blindheid voor deze cultus slaat om in het verschijnsel dat de arbeid zelf tot cultus wordt verheven.  Maar de God dienende cultus wordt louter om zichzelf voltrokken, geeft gestalte aan de diepste instemming met de wereld en vormt de diepste oorsprong van de rust.

In de rust overschrijdt de mens de arbeidswereld als in een vervoering.

Hedentendage is die overschrijding bijna niet mogelijk door de verslavende arbeid van zeven dagen per week die de mens achter zichzelf laat aanlopen -- de mens zichzelf een slaaf. En de vervoering? Die is momenteel vervangen door verdwazende verdoving die door onrust verveling bevordert. Het is een toestand die in enen de verweesde samenleving laat zien waarin de mens zich alleen en vaak eenzaam bedwelmt.

IV

Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de bergen zo hoog.
Misschien om de sneeuw te vergaren
of het dal voor de kou te bewaren
of misschien als een veilige stut voor de hemelboog.
Daarom zijn  de bergen zo hoog.

Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de zeeën zo diep.
Misschien tot geluk van de vissen
die het water zo slecht kunnen missen
of tot meerdere glorie van God die de wereld schiep.
Daarom zijn de zeeën zo diep.

Hoewel de liedschrijver Jules de Corte blind is, ziet hij toch de hoge bergen en de diepe zeeën. Dat was zestig jaar geleden in 1957. Hij vraagt niet naar natuurwetenschappelijke verklaringen maar speelt en zingt zijn verbazing uit over de grootheid van de schepping. Hij bekommert zich niet om de letterlijkheid en verwacht geen antwoord na empirisch onderzoek in rationeel te volgen woorden. Kunstenaars weten -- zoals Gerard Reve treffend zegt -- dat letterlijkheid de dood is van de dichtkunst. En dat zelfde gaat vanzelfsprekend op voor de godsdienst. Religie is onredelijk, weet Herman Philipse. Maar juist de beperking tot het logisch redeneren is dè armoede van onze tijd.

Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de mensen zo moe.
Misschien door hun jachten en jagen
of misschien door hun tienduizend vragen.
En ze zijn al zo lang onderweg naar de vrede toe.
Daarom zijn de mensen zo moe.

Mensen die zo moe zijn en tobben met wel tienduizend vragen, laten die ernaar verlangen zich te verwonderen over al het edele dat de schepping ons schenkt -- het goddelijke boek van de natuur en de voortzetting daarvan in muziek en poëzie, kunsten en wetenschappen. Verwondering immers wekt wijsheid.

En wie zich verwondert, overkomt deemoed en schroomvalligheid.

Filosofie is van oorsprong een vorm van wetende bescheidenheid en zelfbeperking. De mens kan slechts wijsheid begeren. En wie die zoekt in beminnende begeerte noemt zich wijsgeer. En alle wijsbegeerte ontstaat in gesprek met vorige wijsgeren en staat dus in een traditie van denken.

Verwondering is gezondheid bevorderend, verdrijft somberheid en doet vreugdevol instemmen met het leven dat verder reikt dan het eigen ik. En dat ondanks onttovering, waarvan Max Weber aan het begin van de vorige eeuw gewag maakt.  Om wat voor wereldbeeld gaat het in de onttovering? Fundamenteel daaraan is de verwetenschappelijking van het leven die oftewel ruimte laat aan de transcendente, metafysische kant (en dus betovering behoudt) oftewel alleen immanent is en gelijk staat met het voortgaande proces van secularisering die tevens ontheemding van het heilige, dakloosheid van het hemelse en chaos van het niets oplevert (en dus gespeend is van betovering).

Met secularisering behoeft onttovering niet gelijk te blijven opgaan. Met hervinding van verwondering keert betovering terug. Betovering geschiedt door verwondering. Verwondering betovert. En betovering gunt ons de droom.

In zijn beoefening van geschiedenis, die zijns inziens geneest van egocentrisme en van overschatting en geldigheid van hetgeen ons direct omringt, gaat het Huizinga om opgaan in een beschouwing van de wereld om zo een levend verhaal te vertellen, 'een evocatie van beelden'. Daarbij voegt zich nog dat elk historisch gegeven onmiddellijk uitmondt in de eeuwigheid.

Verwondering, betovering, eeuwigheid -- te veel dromerij en te veel vermeiing in idealiteit tegenover de wereld van de realiteit?

V

'Er is waarschijnlijk geen God. Durf zelf te denken en geniet van dit leven.'  Slagzin van drie humanistische organisaties langs de autoweg bij Schiphol in maart 2009 in een atheïsme-campagne.

Het zelf durven denken is niet voorbehouden aan atheïsten -- zij kunnen eerder zelfs daarmee ophouden, eerder als zij tegenwoordig vaak voorgeven klaar te zijn met leven.

Het Humanistisch Verbond beperkt humanisme hoofdzakelijk tot atheïstisch humanisme. De bescherming van de waardigheid van de mens echter is gelijkelijk opdracht voor humanisten èn christenen. Zij delen dus die taak en die taak verdeelt hen niet.

De christen-humanist Desiderius Erasmus geniet in kringen van dat verbond verering.  Humanisten in de periode van de Renaissance cultiveren hun levens- en geestesideaal, hun taal evenwel wil 'niet recht naar Christus klinken'. Zo Huizinga in zijn Erasmus-biografie van 1924. De beoefening van het klassieke Latijn en Grieks bepleit Erasmus niettemin 'in dienst van een zuiver christendom'. Bij zijn verwachtingen daarvan ziet hij wel één gevaar: dat onder de dekmantel van de wedergeboorte van de heidense letteren het heidendom de kop zou opsteken.

De neo-heidense humanist past derhalve bescheidenheid in zijn beroep op de christen-humanist Erasmus.

En hoe is het gesteld met de atheïsten van nu die zich beroepen op de periode van de Verlichting?

In een voordracht van 1933 wijst Huizinga erop dat de geest van die tijd weliswaar 'met den zin voor het bovennatuurlijke ook de behoefte aan het metaphysische' heeft verloren, maar ook ontluisterd blijft het christelijke geloof verre de boventoon voeren 'over den spot van Voltaire of de negatie der Encyclopedisten'.

De veronderstelling, als zouden filosofen als Voltaire of Rousseau atheïst zijn, is niet juist.

Rousseau pleit vóór natuurlijke religie en tegen atheïsme. In zijn Contrat Social van 1762 ontwerpt hij een nieuwe religie met een godheid die almachtig, intelligent, welwillend vooruitziet en bestiert -- zich dus niet afzijdig houdt van het mensdom -- en voor de rechtvaardige, al was het slechts ter vereffening van ondergane onrechtvaardigheid, een leven na de dood in het vooruitzicht stelt.

Voltaire maakt onderscheid tussen God en godsbeelden. Over God is niets met zekerheid te weten en godsbeelden kunnen leiden tot bijgeloof. Hij belijdt zich als theïst; want hij is  overtuigd van het bestaan van een hoogste Wezen dat -- goed en rechtvaardig -- alle wezens heeft gevormd.

Het veelal aanvallende en propagandistische atheïsme van ons tijdsgewricht dwingt de christen zich eens te meer van zijn geloof rekenschap te geven en zich te kanten tegen de  hem toegemeten, vermeende domheid -- op grond vooral van instrumentering van de natuurwetenschap.

Maar ligt niet achter elke horizon van in wetenschap verworven kennis een nieuwe horizon? Dergelijke kennis lost het mysterie van het zijn niet op, het kan het hooguit verdiepen. Op grond daarvan zou verwondering niet verkleind maar eerder vergroot kunnen worden. Volgens Max Planck is religie de kroon op de natuurwetenschappelijke levensbeschouwing, waarvan verwondering de kern is.

Afgezien daarvan -- stelt niet de wetenschap de vraag naar het 'hoe' en de religie naar het 'waarom' en 'waartoe'? In de godsdienst alleen kan daarom de kwestie van de zin van het leven en het bestaan van God werkelijk worden onderzocht. Wetenschap werkt quantitatief en met meetbaarheid -- feitelijk en waarneembaar.  Om het mogelijke en onwaarneembare bekommert zich theologie; haar werkterrein is qualiteit en uniciteit (zoals dat van letteren en kunsten) in tegenstelling tot dat van natuurwetenschappen. Het bewijs dat God wel of niet bestaat wordt nooit geleverd. Betekent geloof een reeks opvattingen die zich aan bewijs onttrekt, dan is atheïsme evengoed geloof als religie.

Atheïsten bedenken argumenten waarom God niet zou bestaan.  In de voortgaande verwetenschappelijking van het wereldbeeld ligt dat voor de hand.  Ik beperk me hier tot één enkel atheïstisch argument:

De mens heeft zich uit het dierenrijk ontwikkeld. Daarom behoeft hij geen Schepper. Het zo genaamde goede laat zich gemakkelijk verklaren uit de evolutie. We hebben dus geen God nodig om goed te zijn.

Voor christenen echter is de evolutietheorie geen wapen tegen het geloof in de schepping. De beide scheppingsverhalen uit het boek Genesis zijn geschreven door verschillende auteurs en stammen uit verschillende tijden. De teksten betreffen geen natuur-historische feiten maar een theologische vertelling. God heeft de wereld zo geschapen dat die zich zelf zou ontwikkelen. In de schepping heeft Hij de evolutie gegeven. De menswording van de mens is zo het werk van God en van de natuur. Dat de mens een ziel heeft gekregen is aldus volledig Godsgeschenk. De evolutietheorie kan de Godsvraag derhalve volkomen open laten.

Het zedelijk handelen van de mens wordt voorondersteld door zijn biologische natuur. Bij onze dierlijke voorouders, die ook gevoel kennen, wordt al aangetroffen wat in het lange proces van de menswording verder is veredeld -- hetwelk we al waarnemen bij apen die de menselijke soort het meest nabij komen. Maar de ander iets goeds doen is meer dan wellicht wederkerige ruilhandel in het dierenrijk. Van zich af schenkende liefde is de mens voorbehouden, ook al gedraagt menig mens zich minder dan een dier. Het goede van de mens laat zich terug voeren tot Gods goedheid die ons als genade overkomt. We zijn daartoe (tot het goede) in staat niet alleen door ontwikkeling van de natuur maar ook door voorbeelden -- na te volgen mensen -- in de geschiedenis.

VI

Kort voor zijn eindexamen Gymnasium laat Johan Huizinga op 15 maart 1891 zich dopen; hij doet belijdenis en wordt lidmaat van de Doopsgezinde Gemeente. Zijn geloof is vooral richtlijn in de ethiek, meer niet, zonder belangstelling voor de regelmatige kerkgang. 'Zijn persoonlijke geloof was weinig belijnd', herinnert zich zijn Leidse confrater de Remonstrantse hoogleraar en predikant Gerrit Jan  Heering, 'meer en meer heeft hij dit zelf als een armoede en zwakheid gevoeld'. Is Huizinga volgens hem een christen? 'Niet in den zin van belijder, eener meer of minder uitgewerkte confessie, maar hij was ongetwijfeld een Christen in den breederen zin van christelijke vroomheid [...], van ethische levensrichting en van geloof in den heiligen wil van een almachtige God.' Huizinga zelf zou Heering hebben gezegd wel de christelijke gedachten volledig te erkennen maar daarin te weinig te leven. Dit als antwoord op Heerings' vraag, waarom hij in Schaduwen Jesus Christus alleen aanduidt met de aanhaling uit het Joannes-evangelie (14,6): 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven'.

Huizinga's biograaf en Eckermann (en zo veel meer) Anton van der Lem verhaalt hoe Huizinga, sinds 1914 weduwnaar, in mei 1937 een dame aan het hoofd van zijn huishouding stelt die hij twee weken na haar indiensttreding ten huwelijk vraagt.  Zij heet Auguste Schölvinck en komt uit Amsterdam --  achtentwintig jaar jong en belijdend Rooms-Katholiek. Ze trouwen op 4 oktober van dat jaar in Leiden en de inzegening van het huwelijk vindt plaats in de sacristie van De Papegaai aan de Amsterdamse Kalverstraat.

In zijn huwelijk lijkt Huizinga zich meer in de richting van belijdend christen te begeven. En waardering voor de Ecclesia Romana blijkt uit Huizinga's antwoord van 7 januari 1942 op een niet bewaarde brief van een vroegere leerling aan de H.B.S. in Haarlem: 'Spaar mij in het vervolg de vermaningen, gestaafd met bijbelteksten [...] En in het bijzonder: spaar mij die oud-vaderlandsch aandoende  schimpredenen tegen de katholieke Kerk. Ik zelf behoor tot haar niet, maar ik begrijp van haar iets meer dan de gemiddelde protestant, en heb grooten eerbied voor die Kerk en groote verwachtingen van haar toekomst. Mijn vrouw is een trouw katholiek, en ons dochtertje van nu juist twee maanden is met mijn volle instemming katholiek gedoopt, en zal door haar Moeder, die, gezien mijn leeftijd, later het gewichtigste deel van haar opvoeding zal hebben te dragen, katholiek worden opgevoed. Dit om je te doen voelen, dat je schriftuurlijke smaad in mijn milieu lichtelijk misplaatst klinkt.'

Van 7 augustus tot 25 oktober  1942 verblijft Huizinga als gijzelaar in Sint Michielsgestel, waar ook zijn zwager Carl Schölvinck gevangen wordt gehouden. Met hem woont hij van tijd tot tijd de Heilige Mis bij; daarover bericht hij althans zijn vrouw. 'Vanmorgen 7.45 met Carl naar de mis: een kaal leslokaal, met niets dan een kruisbeeld en een geïmproviseerd altaar met twee kandelaars, en de dienst zo fluisterend gelezen, dat het haast niet hoorbaar was. Juist in die kaalheid ging er een groote wijding van uit. Er waren velen, die communiceerden [...]'

Voor die gewaarwording is Huizinga al eerder ontvankelijk gebleken. Want in de aanvang van 1927 verschijnt  zijn kleine boek Amerika levend en denkend, waarin Huizinga 'losse opmerkingen' dan wel 'tegenstrijdige beschouwingen' bijeen brengt over het het leven in de Verenigde Staten dat zich zijns inziens kenmerkt door een anti-metafysische houding onder intellectuelen. Tussen de wat zorgelijke regels door schrijft hij over een herinnering aan Europa, een gebeurtenis in Duitsland.

'Ik liep eens in Keulen, in de verloren uren tusschen twee treinen, mij te ergeren, hoe de heilige stad aan den Rijn verleelijkt en banaal geworden was. Tegen de schemering ging ik uit het onverschillig straatgewoel Sankt Maria im Kapitol binnen. Er was een dienst gaande. In het halfdonker zweefden de klanken diep en klaar. Ik besefte opeens, wat in het gemeenschapsleven een waar ritueel, wat het, afgescheiden nog van zijn eeuwigheidswaarde, inhoudt aan cultuurwaarde. Ik voelde den geweldigen ernst van een tijd, waarin deze dingen voor allen de essentie waren, en het was mij, alsof negen tiende van ons hedendaagsch cultuurleven eigenlijk niet ter zake doet.'

Vrijgelaten uit de gijzeling in Brabant mag Huizinga niet terugkeren naar Leiden in Holland. Hij vestigt zich daarom in De Steeg in Gelderland en schrijft daar zijn laatste boek Geschonden wereld. In deze beschouwing 'over de kansen op herstel van onze beschaving' ijvert hij voor bezieling: 'Het louter aardsche is hier ter genezing niet genoeg. De nieuwe bezieling, die de menschheid noodig heeft, zal enkel gevonden worden in de sferen, waar de barmhartigheid den vrede kust.' Aanhaling uit de Psalmist (85,11-12) -- Gods heerlijkheid woont in ons land: 'Genade en trouw ontmoeten elkaar, barmhartigheid en vrede kussen elkaar. Trouw ontspruit aan de aarde, gerechtigheid blikt uit de hemel omlaag.'

En zo leidt Huizinga de vraag omtrent herstel 'naar het religieuze, naar het gedachtengebied van genade en verlossing'. 'Ten einde de bezieling te verwerven [...] moet de mensch weer levendig en algemeen gaan beseffen, dat hij een wezen is, dat leeft uit genade en streeft naar verlossing.' In het vervolg vergelijkt hij twee verlossingsbegrippen -- dat van het boeddhisme en dat van het christendom, verlossing van het leven door het leven te verzaken en in eigen hand te nemen èn verlossing van de dood door het leven te omhelzen en uit handen te geven -- verlossing als individuele losmaking en zo zelf-verlossing enerzijds en verlossing als gezamenlijk overgave aan de persoonlijke God Die als Verlosser mens is geworden anderzijds.

De boeddhistische zelfverlossing past de hedendaagse mens van het westen beter dan de christelijke. Huizinga in zijn tijd heeft geen spoedige herleving van het christendom verwacht. 'De wereld van morgen zal niet rijp zijn voor een herleving van het Christendom, zij is te zeer verstrikt in een habitus, die aan het Christendom tegengesteld is' -- gericht als zij is 'op verwerven en op genieten'.

Ziet hij niettemin in geloof en hoop uitzicht?

'Overal staan millioenen menschen gereed en bereid in wie de behoefte leeft aan recht en de zin voor orde, eerlijkheid, vrijheid, rede en goede zeden. [...] menschen van goeden wille, de homines bonae voluntatis [...], wien in den Kerstnacht het in terra pax werd toegezongen.' Aldus -- met aanhaling van Gloria in excelsis Deo, de hymne uit de katholieke eredienst -- besluit Huizinga zijn cultuurkritiek in 1943.

Zijn laatste schrijfsels betreffen gebeden, om de hier te lande veel geprezen correctheid inzake geloofsovertuiging pas gepubliceerd in 2016.  Een dertiental -- beden van vertrouwen in God, meestal gevolgd door smeking bewaard te worden voor het oorlogsgeweld  -- beide samen als inleiding op het bidden van het Onze Vader.

VII

Hoe zeer wij ook willen beseffen  dat dieren en mensen allebei achtenswaardig zijn, toch kent het dier  het metafysisch denken niet. Dat komt de mens toe. Ik vraag om begrip voor het metafysische denken dat dus transcendentie toelaat, al was het maar alleen om ons mensen wat bescheidener te doen zijn en het onzichtbare naast het zichtbare te kunnen bevroeden.

Zij aan zij met Huizinga en deels op zijn schouders zoals op die van anderen -- in dezelfde overtuiging van toen dat het leven hier onder elkaar niet toereikend is om het geheim van het mens zijn te doorgronden -- staat de gelovige.

Als een cultuur als geheel metafysisch gericht moet zijn op straffe dat zij niet is, hoe veel eerder dan een mens alleen in een geseculariseerde cultuur wiens taak het is aan het bovennatuurlijke vorm te geven.

Wie eens is geraakt door het absolute dat ons te boven gaat of aangeraakt is door de Absolute Die ons wenkt, die is geroepen daarvan getuigenis af te leggen en niet na te laten daarover te spreken.

In spel ontstaat cultus en uit cultus komt cultuur voort. De cultus ontvouwt zich met metafysisch doel -- gestalte gevend aan hetgeen de mens te boven gaat.

De religieuse mens is zich ervan bewust te leven in de wereld aan deze zijde van de dood en aan gene zijde van de dood. Hij beseft tweeërlei werkelijkheid -- de tijdelijke en de goddelijke. Hij leeft niet van zekerheid maar van overgave, niet van het toeval maar van hetgeen hem toevalt, hij leeft van het mysterie.

Hij komt de openbaring van de andere kant van het leven op het spoor en geeft daaraan van deze kant vorm in de rite. De cultus heeft zo een transcendent en een immanent facet. Elke liturgie krijgt gestalte in riten, maar alle tegenwoordige  riten  in de betekenis van gebruiken naar regels zijn geenszins liturgie.

Maar wat geschiedt, wanneer de cultus niet langer God of een godheid aanbidt maar de mens zelf en de cultus zich derhalve beperkt tot immanentie?

Marcel Proust publiceert op 16 augustus 1904 in Le Figaro reeds een opstel met als titel La mort des cathédrales (de dood van de kathedralen) en stelt zich voor dat de Moederkerk reeds eeuwen is uitgedoofd, de tradities van haar cultus verloren, de betekenis van haar nog overeind staande bedehuizen vergeten. Maar dan ontsluieren geleerden de luister van de liturgie en kunstenaars vertolken de Hoogmis van weleer. Zij spelen de overgeleverde riten maar kennen die niet. Cultuurminnenden drommen naar de voorstelling in de oude kathedraal. Maar hoe schoon en zorgvuldig ook uitgevoerd, de opvoering is alleen esthetisch en blijft daarom zielloos. Hoe anders het celebreren van de Heilige Mis door een priester -- 'niet in een esthetisch gevoelen maar in geloof en daarom des te meer esthetisch' en dat  samen met medegelovigen en niet als acteur bekeken door toeschouwers. Kathedralen zijn door mensen gebouwd, evenwel niet naar de menselijke maat maar naar de maat van God. 'Kathedralen zijn monumenten waarin de behoefte aan transcendentie voor eeuwig lijkt te zijn verbeeld.'

Brengt louter immanentie in de cultus geen verarming? Hoe een ideaal te koesteren dat niet verder reikt dan ons zelf, ook al willen we zorg dragen voor onze kinderen en kleinkinderen? Is de instandhouding van de menselijke soort voldoende een diepere zin van het leven te begrijpen en aldus na te streven? Gaat het visioen dan niet ten onder, terwijl het een beproefde wijsheid is, dat daar het volk verwildert, waar het visioen ontbreekt? (Spr 29, 18) Wij verwilderen in platheid en gelijkheid -- zeker hier in Nederland waar wij als volk ons een te meer aanpassen aan de vlakheid van de streek. Niet zo maar heeft Holland in deze regionen de grootste mond, gevuld door verdringing van godsdienst uit openbaarheid, getaboeïseerd door het misverstand als zou godsdienst een particuliere aangelegenheid zijn die voor het bonum commune (algemeen belang) geen zin en zelfs geen nut heeft. Ik spreek over godsdienst en niet over misbruik van godsdienst en benadruk dit, omdat dergelijk misbruik in de snelheid van de publieke opinie momenteel vaak wordt gebruikt als stok om eenvoudige godsdienstigen te slaan.

Waar de godsdienst verdwijnt, duikt de ideologie op die altijd alleen hoogst tijdelijk blijkt. Duurzaam verbindt  ons onderling het ideale doel dat buiten ons zelf ligt en dat verder reikt dan tijdelijkheid om ten minste uitzicht te houden op eeuwigheid, zoals al het zichtbare zich zelf niet genoeg is omdat in het onzichtbare eerst de diepte van hetgeen we waarnemen wordt bevroed en tot helderheid leidt. Anders zijn de vlaggen wel wapperend en de machines wel draaiend, terwijl de over niets meer gaande bezetenheid blijft en de geest dienovereenkomstig geweken.

Plaats laten aan de cultus die naar de oorsprong leeft uit verticaliteit die tot buiten en vooral boven ons voert -- en als gevolg daarvan eerst leeft uit  horizontaliteit die mensen onderling verbindt -- verdient overweging bij filosofen en andere denkers zoals dichters en componisten, bij hen althans die durven dromen voorbij aan de eigen tijd. Muziek geeft stem aan eeuwigheid en brengt de kosmos in het midden die naar Plato en Pythagoras de maat in muziek bepaalt die zo als echo van eeuwigheid God eert en ons beroert en vermaakt.

Als muziek is dichtkunst dienend -- stamelend en behelpend in woorden vattend wat muziek woordloos uit, niet zichzelf verwoordend maar in dienst van hetgeen verwoording vraagt. En gelijkelijk zo wijsbegeerte dienend in verwondering.

En de cultus zelf, waarin de mens speeltuig Gods is en speelt voor Zijn aanschijn? Daar is de liturgie, de ritus waarin de hemel de aarde raakt en omhelst en verbindt in de troostende band die bevrijdt van banaliteit en de mens opheft naar zijn oorspronkelijke bedoeling als beeld van God en wordt uitgenodigd Hem als de Heilige te aanschouwen.

Van al wat wij hebben verloren is de zin voor het heilige, het ons te boven gaande dat niettemin wenkt en fascineert en aangrijpt, het meest wezenlijk.

Hervinding van het heilige, dat van ons zelf afleidt en naar de originele cultus terugleidt, is begin van nieuwe dienstbaarheid, nieuw benul van maat, nieuwe levensvreugde in wederkerig gunnen, nieuw élan God niet uit te sluiten maar in te sluiten, nieuwe betovering om goedheid en schoonheid en waarheid die om onze verdere ontdekking roepen.

En de voetballer? Hij schaamt zich niet -- althans wanneer hij geen blonde Hollander is -- om God te smeken om hulp vóór de wedstrijd en Hem te danken na het doelpunt. Hij zakt midden op de grasmat zonder schaamte op de knieën en slaat een kruis. De onbevangen voetballer als ons aller voorbeeld.