Paulus VI

De heilige paus Paulus VI (Giovanni Battista Montini) was van 1963 tot 1978 bisschop van Rome. Hij geldt als de 261ste opvolger van Sint Petrus. Onder hem vonden de tweede, derde en laatste sessie van het Tweede Vaticaans Concilie plaats.

Ouders
Giovanni Battista Enrico Antonio Maria Montini werd geboren op 26 september 1897 in het dorp Concesio (Lombardije) in een rijke familie van de hogere klasse. Zijn ouders Giorgio Montini en Giuditta Alghisi hadden naast Giovanni nog twee zonen: Lodovico, geboren in 1896, en Francesco, geboren in 1900. Vader Giorgio was maatschappelijk zeer betrokken. Hij was een niet praktiserende advocaat, die journalist was geworden. Toen Giovanni geboren werd was hij directeur en hoofdredacteur van de katholieke krant Il Cittadino di Brescia. Moeder Giuditta, lid van de landadel, was actief in de katholieke vrouwenbeweging in Noord-Italië.

Opleiding
Giovanni ontving zijn middelbaar onderwijs op een jezuïetencollege vlakbij zijn huis in Brescia. In 1916, na het behalen van zijn staatsexamen, ging hij naar het diocesaan grootseminarie in Brescia, maar mocht vanwege zijn zwak gestel thuis blijven wonen. In 1919 werd hij lid van de Federazione Universitaria Cattolica Italiana (FUCI), een koepelorganisatie van Italiaanse verenigingen van katholieke universiteitsstudenten.

Priester
Giovanni Montini werd op 29 mei 1920 priester gewijd door bisschop Giacinto Gaggia van Brescia. Daarna voltooide hij zijn studie kerkelijk recht in Milaan. In die zomer verleende hij priesterlijke assisteerde in een parochie. Zijn bisschop stuurde hem in september naar Rome om er aan de Pauselijke Gregoriana Universiteit en de Sapienza Universiteit van Rome verder te studeren. Montini’s talent werd ontdekt door de prelaat Giuseppe Pizzardo, waardoor hij zich in 1922 kon inschrijven bij de Accademia dei Nobili Ecclesiastici, de pauselijke diplomatenschool in Rome.

Diplomaat
Reeds in 1923 werd hij naar Polen gestuurd als attaché op de apostolische nuntiatuur in Warschau. Daar schrok hij van het ultranationalisme van veel Polen. Omdat zijn gezondheid verzwakte als gevolg van het strenge winterklimaat, werd hij naar Rome teruggeroepen. In het Vaticaan kreeg hij een positie op het Staatssecretariaat van de Heilige Stoel. Daar zou hij dertig jaar blijven. Daarnaast was hij docent aan de Accademia dei Nobili Ecclesiastici en aalmoezenier bij de FUCI, waar hij nauwe contacten had met studenten die na de Tweede Wereldoorlog de Christen-Democratische Partij zouden stichten.

Sostituto
In 1937 werd hij op het Staatssecretariaat benoemd tot sostituto (vice-secretaris) van de sectie Algemene Zaken. Montini vergezelde in 1938 kardinaal-staatssecretaris Eugenio Pacelli naar Boedapest waar toen het Internationaal Eucharistisch Congres plaatsvond. Toen Pacelli in 1939 tot paus (Pius XII) werd gekozen, werd Montini gehandhaafd als sostituto onder de nieuwe kardinaal-staatssecretaris Luigi Maglione.

Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij werkzaam voor de Vaticaanse inlichtingendienst, die berichten over het lot van militairen en getroffen burgers probeerde te verwerven. Ook organiseerde hij tal van hulpacties en zorgde hij voor de opvang van politieke vluchtelingen. In deze periode was Montini het eerste aanspreekpunt voor autonome initiatieven van prinses Maria José van België, schoondochter van koning Vittorio Emanuele III, die met de Verenigde Staten een afzonderlijke vrede wilde sluiten. Deze initiatieven waren echter niet succesvol. De fascisten hadden een hekel aan hem en beschuldigde hem van kerkelijke inmenging in politieke kwesties. Op 19 juli 1943 vergezelde Montini de paus bij diens bezoek aan de Romeinse wijk San Lorenzo tijdens geallieerde bombardementen. Toen kardinaal-staatssecretaris Maglione in 1944 stierf, benoemde Pius XII geen opvolger. Wel handhaafde hij de positie van Montini als hoofd Algemene Zaken en Domenico Tardini als hoofd Relaties met Staten. Beiden hadden direct toegang tot de paus als zijn naaste medewerkers.

Kardinalaat geweigerd
In het geheim consistorie van 1952 kondigde Pius XII aan dat hij van plan was om Montini en Tardini tot het kardinalaat te verheffen. Zij bedankten echter voor de eer. De paus besloot daarop beiden in 1953 te benoemen tot pro-staatssecretaris.

Aartsbisschop van Milaan
In de zomer van 1954 stierf kardinaal Alfredo Ildefonso Schuster, de invloedrijke aartsbisschop van Milaan. Pius XII achtte Montini de beste kandidaat voor de opvolging. Op 1 november benoemde de paus hem tot het nieuwe hoofd van het Milanese aartsbisdom en presenteerde Montini, aan wie hij zeer gehecht was geraakt, “als zijn persoonlijk geschenk aan Milaan”. Op 5 januari 1955 nam Montini bezit van zijn zetel in de Dom van Milaan. In het omvangrijke aartsdiocees met ongeveer 1.000 kerken, 2.500 priesters en 3.500.000 gelovigen, ging Montini voortvarend te werk. Zijn pastorale aandacht ging vooral uit naar de arbeidersklasse. Hij bezocht tal van fabrieken, daalde af in de mijnen en ging in dialoog met de communisten. Verder bevorderde de aartsbisschop het katholiek onderwijs op elk niveau en steunde de katholieke pers. Zijn invloed op het leven in de stad Milaan was zo groot dat er wereldwijde belangstelling voor was.   

Kardinaal
Op 9 oktober 1958 stierf de paus. Tijdens het preconclaaf werd Montini, die bekendstond als een progressieve herder, vaak genoemd als mogelijke opvolger van Pius XII, hoewel hij geen kardinaal was. De conclavisten kozen echter Angelo Roncalli, die de naam Johannes XXIII aannam. Tijdens zijn eerste consistorie op 15 december 1958 creëerde hij 23 kardinalen. Bovenaan de lijst stond de aartsbisschop van Milaan. Montini werd benoemd tot kardinaal-priester van de titelkerk Santi Silvestro e Martino ai Monti.

Voorbereiding concilie
Kardinaal Montini reageerde meteen enthousiast op Johannes’ besluit om een oecumenisch concilie bijeen te roepen. Al vóór aanvang van het Tweede Vaticaans Concilie maakte hij zich sterk voor het principe van bisschoppelijke collegialiteit. De paus benoemde hem tot de centrale voorbereidingscommissie van het concilie. 

Kroning
Johannes XXIII overleed op 3 juni 1963. Tijdens het daaropvolgende conclaaf kozen de kardinalen op 21 juni Montini tot diens opvolger. Hij nam de naam Paulus VI aan. In zijn eerste boodschap tot de wereld zei hij dat hij het aggiornamento van Johannes XXIII wilde voortzetten. Op 30 juni vond de inauguratieplechtigheid, waarbij hij gekroond werd. De zilveren tiara die hij daarbij kreeg opgezet was een geschenk van het aartsbisdom Milaan. Paulus VI zou de drievoudige kroon slechts een aantal keren dragen. In november 1963 legde hij hem ostentatief op het hoofdaltaar van de Sint-Pietersbasiliek, waarmee hij aangaf afstand te nemen van wereldlijke macht. Paulus VI wilde het kostbare voorwerp verkopen en de opbrengst aan de armen in de Derde Wereld schenken. De tiara werd in 1968 verkocht aan de Katholieke Kerk van de Verenigde Staten en is nog steeds te bezichtigen in de Basiliek van het Nationaal Heiligdom van de Onbevlekte Ontvangenis in Washington D.C. Paus Johannes Paulus I, de opvolger van Paulus VI, schafte het kroningsritueel af.

Voortzetting concilie
Paulus VI besloot het concilie voort te zetten. Er zouden nog drie sessies plaatsvinden. Op 8 december 1965 sloot hij het Tweede Vaticaans Concilie plechtig af. De implementatie van alle conciliedecreten en de interpretatie van alle documenten konden gaan beginnen. Een van de meest in het oog springende hervormingen betrof de liturgie. De Romeinse Ritus werd drastisch gewijzigd. In 1970 verschenen op gezag van Paulus VI het Missale Romanum (Romeins Missaal) en de Liturgia Horarum (Getijdengebed). Deze Latijnse standaarduitgaven dienden als basis voor de vele officiële vertalingen − de rooms-katholieke eredienst mocht voortaan ook in de landstalen gecelebreerd worden.

Bisschoppensynode
Tijdens zijn pontificaat vormde het pauselijk primaatschap en de bisschoppelijke collegialiteit een bron van conflicten. Nog voor het einde van het concilie stelde hij met de apostolische brief Apostolica Sollicitudo, gedateerd op 15 september 1965, de Bisschoppensynode in. Dit permanente orgaan van de Romeinse Curie was opgericht om het wereldepiscopaat te betrekken bij het bestuur van de Universele Kerk. Aangezien de Bisschoppensynode geen bestuursmacht had en enkel de paus kon adviseren, zeiden critici dat de bisschoppelijke collegialiteit hiermee geweld was aangedaan. 

Teleurstelling
Paulus VI is de geschiedenis ingegaan als de paus die het vooruitstrevende enthousiasme van de meerderheid van de concilievaders zou hebben afgeremd. Vernieuwingen waar velen op hadden gehoopt, gingen niet door. Zo werd het onderwerp van het verplichte priestercelibaat in de Westerse Kerk door hem van de concilieagenda geschrapt. Met zijn encycliek Humanae Vitae (1968) veroordeelde hij het gebruik van anticonceptiemiddelen door gehuwden, wat bij vele katholieken tot grote teleurstelling veroorzaakte. 

Moderne paus
De ascetische gestalte van de enigszins bedeesde Paulus VI stond in schril contrast met de joviale uitstraling van zijn uiterst populaire directe voorganger. Ondanks zijn imago van conservatieve paus, was Paulus VI de eerste echte moderne bisschop van Rome. Hij schafte vele antieke en middeleeuwse hofrituelen af, hervormde grondig de Romeinse Curie en toonde zich steeds minder als vorst en meer als zielenherder.

Reizende paus
Paulus VI reisde “als pelgrim” de hele wereld over. Nog nooit had een paus alle continenten bezocht. Zijn eerste reis was een bedevaart naar het Heilig Land. Voor hem had sinds het vertrek van Sint Petrus naar Rome geen enkele paus het Bijbelse land bezocht. In Jeruzalem vond op 5 januari 1964 de baanbrekende ontmoeting plaats met oecumenisch patriarch Athenagoras I van Constantinopel. Zijn laatste en zwaarste reis ondernam hij van 26 november tot en met 5 december 1970. Hij bezocht toen de landen Iran, Pakistan, Filippijnen, West-Samoa , Australia, Indonesië, Hongkong en Ceylon.

Vredesapostel
Historisch is zijn toespraak van 4 oktober 1965 voor de Algemene Assemblee van de Verenigde Naties in New York. Daarin sprak hij over de Kerk als ‘de specialist in humaniteit’ die de VN erkent als een noodzakelijk instituut ter bevordering van beschaving en vrede. “Geen oorlog meer, nooit meer oorlog. Vrede! Het is de vrede die het lot van de volkeren en van de gehele mensheid moet leiden.”

Oecumene
Na de historische ontmoeting tussen de paus en de orthodoxe patriarch van Constantinopel in Jeruzalem, werden in 1965 de wederzijdse banvloeken van 1054 die het Grote Schisma tot gevolg hadden, plechtig opgeheven. Paulus VI ontmoette patriarch Athenagoras weer op 25 juli 1967, dit keer in diens eigen stad Istanbul. Een andere baanbrekende ontmoeting vond plaats op 23 maart 1966 in Rome met Michael Ramsey, aartsbisschop van Canterbury en primaat van de Kerken van de Anglicaanse Gemeenschap. Beiden ondertekenden een gezamenlijke verklaring waarin beloofd werd dat de Katholieke Kerk en de Anglicaanse Kerken zich zouden inspannen om de eenheid te herstellen. De katholieke dialoog met de protestantse geloofsgenootschappen kreeg onder Paulus VI ook een belangrijke impuls. Ook gaf hij toestemming aan lokale kerken om met protestanten samen te werken bij gezamenlijke Bijbelvertalingsprojecten.

Encycliek
Paulus VI schreef zeven encyclieken:

  • Ecclesiam Suam (1964), over de Katholieke Kerk;
  • Mense Maio (1965), over het gebed voor de vrede in de meimaand;
  • Mysterium Fidei (1965), over de eucharistie;
  • Christi Matri (1966), over de wereldvrede;
  • Populorum Progressio (1967), over ontwikkelingssamenwerking;
  • Sacerdotalis Caelibatus (1967), over het priestercelibaat;
  • Humanae Vitae (1968), over het christelijk huwelijk.

Overlijden
Paulus VI stierf op 6 augustus 1978 op het feest van de Transfiguratie. In zijn wilsbeschikking stond dat zijn uitvaart eenvoudig moest zijn en dat er boven zijn rustplaats in de Vaticaanse Grotten geen monumentaal graf mocht komen.

Zaligverklaringsproces
Het zaligverklaringsproces voor Paulus VI werd in 1993 geopend. In 2012 oordeelde paus Benedictus XVI dat hij een leven van “heldhaftige deugdzaamheid” had geleid. De weg tot zijn beatificatie werd vrijgemaakt nadat de Medische Commissie van de Congregatie voor de Heiligverklaringen in december 2013 een opmerkelijke genezing van een foetus in de buik van een vrouw uit Californië ‘onverklaarbaar’ had geacht. Het verschijnsel werd toegeschreven aan de voorspraak van de eerbiedwaardige Paulus VI. Op 9 mei 2014 gaf paus Franciscus zijn pauselijke erkenning van het mirakel. Op zondag 19 oktober 2014, de slotdag van de buitengewone assemblee van de Bisschoppensynode over het gezin, werd Paulus VI zaligverklaard. 

Heiligverklaring
Het vereiste wonder voor Montini’s heiligverklaring betrof de genezing van een ongeboren meisje. Haar ouders, Vanna en Alberto, waren naar het Heiligdom van de Genaden in Brescia gegaan om er te bidden voor de genezing van hun ongeboren kind, die in levensgevaar verkeerde wegens een gebroken placenta. Dat deden zij op 29 oktober 2014, tien dagen na de zaligverklaring van Paulus VI. Op 25 december 2014 kwam de dochter als Amanda Maria Paola gezond en wel ter wereld. Op 6 maart 2018 erkende paus Franciscus deze genezing als een wonder. Op 19 mei 2018 kondigde hij aan dat hij Paulus VI zou heiligverklaren op de tweede zondag van de Vijftiende Gewone Algemene Assemblee van de Bisschoppenconferentie, het permanente orgaan dat Paulus VI in 1965 in het leven had geroepen. Op 14 oktober 2018 was het zover. Franciscus canoniseerde Paulus VI en zes andere zaligen, onder wie aartsbisschop Óscar Romero van San Salvador.