Kerkvaders

De kerkvaders waren gezagvolle theologen in de nog ongedeelde kerk van de oudheid. Beroemde kerkvaders zijn Athanasius, Johannes Chrysostomus, Basilius, Ambrosius, Augustinus en Gregorius de Grote.

Tijdperk
Er is vaagheid bij de afbakening van het tijdperk van de kerkvaders. Humanisten en Reformatoren beschouwden Bernardus van Clairvaux (†1153) als de laatste kerkvader. Zijn monastieke theologie was  volgens hen immers gebaseerd op de lezing van de Schrift als librum experientiae: als boek waardoor men zich de ervaring van de eerste christenen kon toe-eigenen.

Begin Scholastiek
Het einde van de vadertijd trad in met het begin van de Scholastiek (11e eeuw). Vanaf die tijd werd in het idee van de vroeg-scholastici het begrip als voorwaarde voor geloof verondersteld. De hieruit voortvloeiende voorkeur voor de academische speculatie bracht met zich mee dat de Schrift niet langer meer als 'ervaringsboek' werd beleefd en een breuklijn ontstond.

Thomas van Aquino
Humanisten en reformatorische theologen stelden de scholastieke theologie gelijk aan de pauselijke. Door de scheidslijn bij Bernardus te leggen konden zij de pauselijke theologie dus makkelijker afwijzen. Daarom haastte de curieprelaat Petrus Annatus zich de 'scholastieke' Thomas van Aquino en Bonaventura als kerkvaders te omschrijven. Ook zij, zo stelde hij, hadden immers het christendom voor ketterijen behoed en het geloof herschapen. Deze regeneratio-gedachte vormde weer de aanleiding voor Lutheranen om Luther als kerkvader te betitelen.

Het jaar 451
In de Rooms-Katholieke, Oosters-Orthodoxe en Protestantse kerken wordt tegenwoordig het jaar 451 gezien als het einde van het patristische tijdperk. In dat jaar werd het vierde oecumenische concilie van Chalcedon afgesloten. Chalcedon vormde de afsluiting van een periode waarin niet alleen de canon van de Heilige Schrift tot stand was gekomen maar waarin ook de meest wezenlijke dogma's van het christendom waren vastgesteld. Op de oecumenische concilies van Nicea (325) en Constantinopel (381) was immers de Godheid van Christus en de Drie-eenheid doordacht. Op de concilies van Efeze (431) en Chalcedon (451) was de eenheid van de goddelijke en menselijke natuur in Christus benadrukt.

Oost en West
De gedachte dat de geschiedenis niet universeel is maar regionaal accenten kent, maakte dat de Duitse theoloog Joseph Ratzinger in 1968 de tijdsgrenzen vager maakte. De latere paus stelde voor de vadertijd in het Westen met Isidorus van Sevilla (+ 636) afgesloten te zien en in het Oosten met Johannes Damascenus (+ 749). Zo waarborgde hij dat ook zij die in de tijd van onder andere de volksverhuizingen en van de expansie van de islam hun geloof overdachten tot de kerkvaders worden gerekend. Achterliggend bleef de gedachte dat kerkvaders leraren waren van een nog ongedeelde kerk.

Definitie kerkvader
Er is een vaagheid over wie nu eigenlijk een 'kerkvader' is. Vincentius van Lérins (5e eeuw) schreef dat een kerkvader de oude leer verwoordde, orthodox was en een heilig leven had geleid. Zijn 'leer' moest ook zijn goedgekeurd door de kerk waarin hij leefde en stierf. Vincentius' definitie is problematisch geworden. Ten eerste is de 'oudheid' (antiquitas) van de leer een vaag criterium. Ten tweede zijn de grenzen tussen orthodoxie en heterodoxie niet altijd helder te trekken.

Alle antieke christelijke schijvers
De 20ste-eeuwse augustijn Agostino Trapè stelde voor dat met de term 'kerkvaders' voortaan alle antieke christelijke schrijvers moesten worden aangeduid. Het voordeel van deze definitie was dat men geen criteria hoefde aan te leggen om iemand tot ketter of tot kerkvader te verklaren op basis van oordelen over diens orthodoxie die in later tijd zouden moeten worden herzien. Hiervoor had de Duitse kerkhistoricus Adolf von Harnack (1851-1930) zich al beducht getoond toen hij voorstelde de Arianen op te nemen onder de kerkvaders omdat het oordeel van weleer niet het oordeel van gelovigen in andere tijden hoefde te zijn.

Vrouwen als kerkvader
Toch werd Trapè's definitie als te ruim ervaren. In de patristiek en patrologie wordt een kerkvader nu gezien als iemand die wezenlijk aan de totstandkoming van de leer van de kerk heeft bijgedragen. Bovendien worden ook degenen ertoe gerekend die bepalend zijn geweest het leven in de nog ongedeelde kerk. Zo werd het mogelijk woestijnvaders en martelaren én Maria Magdalena, Macrina - die twee van de drie Cappadocische vaders inspireerde - en Paula - over wie Hieronymus een biografie schreef - onder de kerkvaders te rekenen. In hun levens werd immers de christelijke leer in de vorm van het christelijke leven ontmoet.

Gezaghebbend
Over één principe bestaat echter helderheid en eensgezindheid. Iemand mag kerkvader worden genoemd als hij in zijn eigen tijd als gezaghebbend werd beschouwd. Anders gezegd: de synchrone beoordeling prevaleert boven de diachrone. Dit uitgangspunt heeft het voordeel dat het predikaat kerkvader nooit kan worden ingetrokken op grond van latere ontwikkelingen in de theologie. Hoewel Origenes achteraf van heterodoxie beticht is, wordt hij dus toch onder de kerkvaders gerekend omdat hij in zijn eigen tijd als gezaghebbend gold. Overigens zou hij dit in later tijd ook blijven; niet zozeer vanwege zijn leer als wel vanwege zijn exegetische methoden. Zijn kerkelijke betekenis was blijvend.

Twee heldere criteria
Twee criteria zijn dus helder. Een kerkvader was een leraar in de nog ongedeelde kerk en wordt als zodanig gezien op grond van het gezag dat tijdgenoten hem toekende. Toch leveren deze criteria zeker geen statische en hermetisch gesloten groep op. Dit houdt weer verband met het feit dat binnen de 'kerkvaderclan' sommige familieleden meer eigenschappen tonen die inherent zijn aan de orthodoxe familie dan anderen. Volgens deze open, door katholieke theologen als Yves Congar en Joseph Ratzinger voorgestane, definitie kan Origenes bijvoorbeeld worden beschouwen als een briljante maar lastig familielid. Logisch gevolg van deze definitie is evenwel dat er geen lijst van onomstotelijk vaststaande criteria kan worden gemaakt waaraan een kerkvader volledig aan moet voldoen. Evenmin is het mogelijk een lijst te vervaardigen van mannen en vrouwen die allen exclusief tot de kerkvaders behoren.


Auteur van dit lemma:
Prof. dr. Paul van Geest, directeur Interuniversitair Centrum voor Patristisch Onderzoek