Exodus

Exodus is het tweede boek van de Bijbel. Het beschrijft hoe de Israëlieten door God worden verlost van de slavernij in Egypte en door Mozes naar het Beloofde land worden geleid.

Tora
De eerste vijf boeken van het Oude Testament worden gezamenlijk ook wel aangeduid met het Hebreeuwse woord Tora of het Griekse woord Pentateuch. De volgorde van deze boeken is: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Deze namen zijn gegeven door de samenstellers van de Septuaginta en de Vulgaat. In de Hebreeuwse Bijbel dragen deze boeken andere namen. Exodus heet daar Sjemot, dat 'Namen' betekent.

Uittocht
De Latijnse naam Exodus komt van het Griekse εξοδος (exodos), dat 'uittocht' betekent. Deze naam heeft dus eigenlijk alleen betrekking op de hoofdstukken 1-15. Die beschrijven hoe God de Israëlieten onder leiding van Mozes liet wegtrekken uit Egypte, waar zij in slavernij leefden.

Opbouw
Het boek Exodus is als volgt opgebouwd:

  1. De bevrijding uit het slavenland Egypte (1,1-15,21)
  2. Het begin van de woestijntocht (15,22-18,27)
  3. Israël bij de Sinai: de verbondswet (19,1-40,38)

Mozes hoort Gods naam
Het boek begint met het verhaal over de slavernij van het volk Israël in Egypte. Daarna volgt het verhaal van Mozes, een lid van de Israëlitische stam Levi. Als baby kwam hij onder de hoede van de dochter van de farao. Als volwassen man wordt hij op een dag geroepen door de God van Abraham, Isaak en Jakob. Deze God openbaart aan Mozes de betekenis van zijn naam JHWH: 'Ik ben die is'. Het is zeker niet toevallig dat deze naamsverklaring juist aan het begin van de uittocht wordt geplaatst. De bevrijding uit het slavenland Egypte is immers het heilsfeit bij uitstek, waarin Israël het dynamische en bevrijdende 'er zijn' van God ervaren heeft en waarmee het altijd verbonden zal blijven. Het eerste deel bevat verder de beroemde passages over de Tien Plagen die God over Egypte uitstort, het eerste Paasfeest en de spectaculaire doortocht door de Rode Zee (Rietzee).

Woestijn
In het tweede deel gaat het over het begin van Israëls tocht door de woestijn, van Egypte tot de Sinaï. Voor de bijbelse schrijver was de woestijn de geschikte achtergrond om te beschrijven hoe Israël moeizaam zijn weg heeft gezocht en gaandeweg ontdekt heeft hoe het moest leven als vrij volk. In de woestijn, die de dagelijkse realiteit verbeeldt waarin de gelovige leeft, zal Israël geleidelijk aan de eisen ontdekken die een leven in vrijheid mogelijk maken.

Berg Sinaï
Het derde deel ten slotte verhaalt hoe God op indrukwekkende wijze verschijnt op de berg Sinaï, met Israël een verbond aangaat en in de wetgeving zijn wil openbaart. Als elementen van wetgevende aard zijn te vermelden: de Tien Geboden, het verbondsboek, cultische voorschriften voor het heiligdom van Jahweh en de eredienst.

Voorschriften voor samenleving en cultus
De Tien Geboden staan centraal in de bevrijdingstheologie van Israël. Wie ze beleeft, wordt niet aan banden gelegd, maar juist bevrijd tot het niveau van het echte mens-zijn. Het verbondsboek bevat rechtsregels die een maatschappij van boeren en herders veronderstellen en dus dateren uit de eerste periode na Israëls vestiging in Kanaän. Karakteristiek is de nauwe verbinding van burgerlijke met zedelijke en godsdienstige voorschriften. Daarna volgen een aantal cultische voorschriften, die tot de jongste gedeelten van de Pentateuch behoren en die betrekking hebben op de vervaardiging van een heiligdom voor God met alles wat erbij hoort, en op de instelling van het oudtestamentisch priesterschap.


Met dank aan de Katholieke Bijbelstichting (KBS) te Den Bosch die de 'Inleiding op het boek Exodus' (Willibrordvertaling van de Bijbel, uitgave 1995) welwillend ter beschikking heeft gesteld voor verwerking in dit lemma.